Marc Schuilenburg
Tijdens de milieutop in Kopenhagen in december 2009 vond een opmerkelijke gebeurtenis plaats. Een kleine groep milieuactivisten grijpt de onderhandelingen aan om de boodschap te verkondigen: ‘Klimaatverandering is een sociaal probleem’. Deze tekst slaat de spijker op de kop. Binnen overleggen de ministers over een vermindering van de uitstoot van broeikasgassen om de opwarming van de aarde tegen te gaan. Langdurige onderhandelingen en veel abstract rekenwerk moeten zo leiden tot twintig procent minder uitstoot van CO2 in 2020. De uitkomsten worden vervolgens aan de bevolking gepresenteerd als neutrale en breed gedragen oplossingen. Buiten laten de activisten zien dat de opwarming van de aarde veel meer is dan een milieuprobleem. Weliswaar is CO2 een belangrijke oorzaak van de stijging van de temperatuur op aarde, maar ecologische problemen hebben ook grote sociale gevolgen en gaan om ideologische kwesties als rechtvaardigheid en armoede. Waar het dus op neerkomt zijn vragen als: ‘Wat is de grens van onze economische groei?’ en ‘Hoe kun je voorkomen dat de maatregelen de armste landen het zwaarst treffen?’ Kortom, de inzet van de betogers gaat om iets groters.
Het milieuprobleem staat niet op zich. Met betrekking tot tal van belangrijke maatschappelijke vraagstukken hebben politieke partijen hun ideologische veren afgeschud. Principiële standpunten zijn verdwenen. Iedereen spreekt dezelfde taal. Neem het veiligheidsvraagstuk. Terwijl het niemand lijkt te storen dat het milieuprobleem volledig is ontideologiseerd, zo lijkt ook iedereen het er over eens dat dit de juiste weg is om het probleem van onveiligheid aan te pakken. De afgelopen jaren heeft dat geleid tot een stortvloed aan maatregelen die zich vooral richten op het tegengaan van straatcriminaliteit, denk aan samenscholingsverboden, preventief fouilleren, cameratoezicht – en zo mis ik er vast nog wel een paar. Nu gaat het er niet om de realiteit te ontkennen van bepaalde criminaliteit, maar het gaat er wel om dat veiligheid nauwelijks nog wordt verbonden met sociale vraagstukken als werk en scholing.
De ontwikkelingen op gebieden als milieu, gezondheidszorg en veiligheid hebben gemeen met elkaar dat er geen ideologische strijd in de politiek meer wordt gevoerd over de inrichting ervan. In plaats daarvan is er de paradoxale situatie ontstaan dat twee tegenstrijdige bewegingen elkaar in een houdgreep houden. Enerzijds trekt de overheid zich steeds verder terug op het gebied van sociale en culturele voorzieningen en legt de bal neer bij het bedrijfsleven. Zo zijn in een hang naar verzelfstandiging, privatisering en marktwerking allerlei taken en verantwoordelijkheden op onderwijs, volkshuisvesting en andere sociale zaken terecht gekomen bij private partijen, met alle ellende van dien. Anderzijds toont de overheid steeds meer daadkracht op veiligheid. Op dit terrein versterkt de overheid juist haar regierol en bestrijdt ze de criminaliteit die het gevolg is van sociale en culturele ontwrichting. Daarmee geeft de overheid gehoor aan de roep in de samenleving om meer veiligheid. Veilig is heilig. De vraag is tot welke consequenties dit leidt.
Allereerst valt op dat niemand nog de belangen verdedigt van een onderklasse. Van oorsprong heeft dit begrip een sociaal-economische betekenis. Het wijst op het bestaan van een groep die wordt gekenmerkt door een hoge werkloosheid en een slechte inkomenssituatie en die weinig tot geen middelen heeft om de doelen die ze zichzelf stelt, te verwezenlijken. Het behoeft weinig toelichting dat het huidige beleid niet zozeer meer is gericht op sociale en economische hervormingen, maar vooral op de aanpak van gedrag- en overlastproblemen van specifieke groepen. Onderklasse is zo een term die strikt herleid wordt tot criminaliteit. Etniciteit en inkomen zijn hierbij de nieuwe categorieën. Zo wordt de registratie van etniciteit aangemoedigd om bepaalde veiligheidsdoelen te bereiken. Tegelijkertijd moeten inwoners van bepaalde wijken of straten over een bepaald inkomen beschikken om daar te mogen wonen. Maar dat er nog steeds een sociaal-economische onderklasse bestaat, hebben de grootschalige rellen laten zien in Londen en andere Engelse steden. Uit woede over het gebrek aan maatschappelijke vooruitzichten en opgroeiend in een maatschappij die je voortdurend aanmoedigt de nieuwste sneakers, kleding, sieraden en auto’s te kopen, menen de jongeren met geweld te moeten pakken waar ze recht op denken te hebben. En daarbij gaat het niet toevallig om jongeren uit achterstandwijken met weinig kansen op de arbeidsmarkt.
Steeds meer wordt veiligheid ook gepresenteerd als een berekenbaar, controleerbaar en dus te managen goed. Voor een belangrijk deel wordt dit uitgevent door een groeiend aantal nieuwe experts dat nauw is verbonden met de politiek. Evaluatiecommissies, adviesbureaus en onderzoeksinstituten: zij allen hebben in de afgelopen jaren hun status en prestige zien stijgen. Ze worden gezien als specialist op veiligheid en worden om commentaar of advies gevraagd bij een dodelijke schietpartij in een winkelcentrum of grootschalige rellen op een strandfeest. Hoe verschillend al deze incidenten ook zijn, de bijna automatische beoordeling van deze deskundigen op een dergelijke gebeurtenis is: 1) gebrek aan informatie, 2) onvoldoende risico-inschatting en 3) onduidelijke overlegstructuur. Niet alleen komen de bevindingen altijd op dezelfde voorspelbare les neer. Ook vormen ze keer op keer aanleiding tot een eindeloze stroom van voorstellen voor meer efficiëntie en verdergaande maatregelen die de kans op een volgend incident moeten voorkomen, van een strengere vergunningverlening tot een uitbreiding van preventief fouilleren. Daarmee is het idee van de maakbare samenleving weer helemaal terug. Ik heb het hier niet over het maakbaarheidsdenken van de jaren zeventig dat vooral sociaal gesitueerd was en zich richtte op resocialisatie van de dader. Wel over een geloof in een nationale maakbaarheid door veiligheid. Men vertrouwt volledig op de effecten van strengere en uitgebreidere wetgeving, in de werking van maatregelen als gebiedsverboden, in de kenbaarheid van personen door het opstellen van risicoprofielen en risicoscores, in de voorspelbaarheid van menselijke gedragingen door het gebruik van intelligente camera’s en datamining – en zo verder. De ironie van deze nieuwe maakbaarheid schuilt in de gedachte dat de samenleving zelf wordt voorgesteld als een passief object met bepaalde eigenschappen dat gericht kan worden beïnvloed en gevormd. Daadkrachtige politici zijn dan de actieve krachten die voor veranderingen kunnen zorgen.
Tegelijk is er de overspannen toon van politieke partijen, ongeacht de politieke kleur. Hoewel hiervoor nauwelijks empirisch bewijs is te vinden, menen politici dat zwaarder straffen leidt tot een veiligere samenleving – maakt niet uit over welk delict het gaat. Daarbij is het bekritiseren van de rechterlijke macht een huiselijk ritueel. Zo vond de VVD’er Johan Remkes, destijds minister van Binnenlandse Zaken, de 18 jaar celstraf die Volkert van der Graaf kreeg voor de moord op Pim Fortuyn in 2003 ‘veel te laag’. De huidige vicepremier, Maxime Verhagen, doet in 2005 de vrijspraak door het Hof van terrorismeverdachte Samir A. af als ‘onacceptabel’ en ‘onbegrijpelijk’ en stelt prompt voor de wetgeving te willen veranderen. En met betrekking tot het huidige criminaliteitsprobleem is het niet alleen de PVV die met drastische, en weinig serieuze oplossingen komt. In 2008 pleit Hans Spekman, woordvoerder armoedebeleid en asielzaken van de PvdA, al voor onorthodoxe maatregelen om Marokkaanse probleemjongeren aan te pakken. ‘De Marokkanen die niet willen deugen, moet je vernederen voor de ogen van hun eigen mensen. Je moet ervoor zorgen dat ze de sulletjes worden van hun wijk. Dat is het enige dat werkt,’ aldus Spekman, waarmee hij bewijst dat het niets uitmaakt of het populisme van links of rechts komt.
Laat ik er geen doekjes om winden. Illustratief voor de politiek is dat principiële standpunten zijn ingewisseld voor pragmatische oplossingen. Nauw hiermee verbonden is het belang dat wordt toegekend aan effectiviteit en rendement. Door dit soort termen als neutraal te presenteren, zijn fundamentele vraagstukken vooral technische aangelegenheden geworden. Efficiënte oplossingen gaan dan door voor goede oplossingen. Het gevolg hiervan is dat voorheen ideologische vraagstukken volledig zijn gedepolitiseerd, van milieu tot gezondheidszorg en van onderwijs tot veiligheid. Wat het laatste betreft, is er een consensuele visie op de aanpak ervan zonder dat er een discussie wordt gevoerd over onderliggende sociale, economische of culturele oorzaken als uitsluiting en armoede. De boodschap wordt uitgedragen dat beleid een kwestie is van gezond verstand en eenvoudige oplossingen. Terwijl het in feite gaat om moeizame en langdurige processen die zich niet lenen voor korte termijn maatregelen. Want wil men de problemen in de steden op lange termijn aanpakken door bewoners meer kansen te bieden en hun levensomstandigheden te verbeteren? Of streeft men slechts kortetermijnsucces na door in bepaalde wijken hardhandig de criminaliteit te bestrijden?
De vraag is waar je naar een alternatief moet zoeken. Op dit punt wil ik wijzen op het antagonistische karakter van politiek. Agon is het Griekse woord voor competitie. Het verwijst naar het conflict tussen de protagonist (de held) en de antagonist (de tegenstander). Meer in het algemeen heeft het betrekking op iedere vorm van strijd tussen antagonistische actoren (vakbonden, politieke partijen, belangenorganisaties) in een democratische samenleving. Dit betekent dat politiek gaat om conflict en de mogelijkheid tot verschillen. Politiek is een strijd tussen ideeën hoe de samenleving in te richten. Het gaat dus niet om een we agree to disagree, zoals de afspraak luidt tussen dit kabinet en de PVV. Ideologische verschillen van mening worden hierin niet opgelost. Ze worden slechts buitenspel gesteld om door te kunnen regeren. Willen politieke partijen daadwerkelijk verschil maken, dan is er een we disagree to agree nodig. Politiek krijgt pas echt betekenis als de burger voor een principiële keuze wordt gesteld tussen concurrerende visies op de aanpak van maatschappelijke vraagstukken.